Nu hulp nodig?

Bel 085 029 85 09

(lokaal tarief, 24/7)

Gebruik het formulier

(geheel vrijblijvend!)

Klanders en andere kevers in uw voorraden

Door de aanwezigheid van voorraadinsecten en -mijten gaat van verschillende producten de voedingswaarde verloren en door bevuiling met uitwerpselen en spinsels worden de producten muf en onbruikbaar. Zorg voor een kleine voorraad in huis. Bewaar levensmiddelen in goed gesloten potten en bussen en bevorder een kortdurende, droge en koele opslag. Verwijder afval regelmatig uit de keuken en doe iedere keer een schone zak in de afvalbak. Als men zich aan deze regels houdt, kan het gebruik van bestrijdingsmiddelen volledig achterwege blijven. En om misverstanden te voorkomen; het uitsluitend gebruiken van bestrijdingsmiddelen zonder het treffen van de goede weringsmaatregelen levert nooit resultaat op. Om de juiste maatregelen aan de melder te kunnen adviseren, is altijd een goede determinatie (het op naam brengen van de soort) gewenst.

Graanklanders, rijstklanders en maïsklanders in levensmiddelen

De klanders zijn alle herkenbaar aan de snuitvormige verlenging van de kop. Aan het eind van het snuitje bevinden zich de monddelen. Er zijn drie soorten klanders in levensmiddelen van belang, te weten de graanklander (Sitophilus granarius L), de rijstklander (Sitophilus oryzae L) en de maïsklander (Sitophilus zeamais Motsch). De geslachtsnaam Sitophilus betekent "houdt van graan" en dat geeft al aan waar we deze drie keversoorten moeten zoeken.
De graanklander staat al eeuwen als voorraadinsect te boek. Hij kan niet vliegen en zal dus altijd met verpakte levensmiddelen in de keuken terecht komen. Het oorspronkelijk leefgebied vinden we in streken met een gematigd tot subtropisch klimaat, van waaruit hij, evenals vele van de volgende te noemen insectensoorten, met het handelsverkeer over de hele wereld is verspreid.
Beneden de 13°C en boven de 35°C vindt geen ontwikkeling plaats. Bij 30°C en 70% RV vindt de ontwikkeling van ei tot imago (het volwassen dier) in 26 dagen plaats. Het wijfje boort met haar snuit een gaatje in de graankorrel, legt daar een eitje in en kit het gaatje weer dicht. Er wordt maar één ei per korrel gelegd. De uit het ei gekomen larve vreet ongeveer 28 mg voedsel voor zij tot verpopping overgaat. Het gewicht van een graankorrel is ongeveer 50 mg. Omdat de larve in het laatste van haar drie stadia zo groot is dat ze bijna de gehele korrel vult, zal in een eenmaal aangetaste korrel niet opnieuw een eitje worden afgezet. Het wijfje legt slechts enkele eieren per dag, maar kan door haar lange levensduur- afhankelijk van de temperatuur 100 tot 260 dagen - toch tot een grote productie van ongeveer 200 eieren komen.
De grootte van de kever, ca. 3,5 mm, is afhankelijk van de kwaliteit van het door de larve genoten voedsel. Graanklanders zijn lichtschuw, maar gaan bij verstoring overdag wel aan de wandel. Als ze aangeraakt worden trekken ze de poten tegen de borst en houden zich schijndood. De graanklander kan in verschillende graansoorten worden gevonden. Echter alleen hele korrels worden aangetast. Zelden wordt de soort gevonden in andere meelspijzen of zetmeelhoudende waren.
De rijstklander is uit tropische en subtropische streken afkomstig. Hij wordt veel in tarwe aangetroffen, maar ook in rijst en maïs. Vastgesteld werd dat op minder geschikte producten minder eieren worden afgezet dan op producten waar de larve met plezier van smult.
De circa 150 eieren worden bij 25°C in 12-14 weken gelegd. De rijst- of graankorrel waarin dat gebeurt, moet groot genoeg zijn om de larve tot haar verpopping te voeden. Als de rijstklander meer eitjes onder de zemel in het meellichaam van de korrel afzet, dan blijkt toch, dat slechts één eitje een larve produceert. Deze eet ongeveer 10 mg voedsel voor zij tot verpopping overgaat. De totale ontwikkelingsduur is, afhankelijk van de heersende temperatuur 30 tot 55 dagen.
De schijndode houding, die de rijstklander aan kan nemen, duurt meestal korter dan bij de graanklander. De rijstklander heeft namelijk een tweede ontsnappingsmogelijkheid; zij kan vliegen.
De maïsklander komt meer dan de beide andere soorten op maïs voor. Echter ook wel in rijst en in geringe mate in tarwe. De leefwijze is vergelijkbaar met die van de eerdergenoemde soorten. De ongeveer 215 eieren worden bij 25°C in 12 tot 14 weken gelegd. De larve vreet ongeveer 10 mg voedsel en de totale ontwikkeling duurt bij 20°C circa 46 dagen. De maïsklander vliegt vaker en beter dan de rijstklander. De maïsklander en de rijstklander zijn slechts met grote moeite van elkaar te onderscheiden.

Larven van broodkevers komen zelfs in goed verpakte zetmeelproducten

De broodkever (Stegobium paniceum L.) hoort bij de familie waartoe ook de houtwormkevers behoren. Zij tasten echter geen hout aan. De larven boren een gang in het aan te tasten product. De broodkever is een van de meest voorkomende voorraadinsecten in streken met een gematigd klimaat. In allerlei zetmeelhoudend vast voedsel wordt de soort aangetroffen, maar bijvoorbeeld ook in medicijnen van plantaardige oorsprong.
Het wijfje legt in drie weken tijd ongeveer 100 eieren, of in het product, of op een willekeurige plaats in naden en kieren. De larven hebben pootjes, zijn zeer beweeglijk en moeten binnen 8 dagen na uitkomen een ontwikkelingsbron gevonden hebben om in leven te kunnen blijven. Ze kunnen enige afstand afleggen en zijn in staat om ook in goed verpakte producten door te dringen. Na vier vervellingen zit de larve vrijwel bewegingsloos in het product, maakt met speeksel van voedseldeeltjes een cel en verpopt daarin. Na verpopping zwerven de kevers over de omgeving uit. Ontwikkeling is mogelijk tussen 15°C en 34°C. De duur van de ontwikkeling is bij 24°C en 45% RV ongeveer 83 dagen.

Rijstmeelkevers, kastanjebruine rijstmeelkevers en lysolkevers zijn secundaire voorraadbeschadigers

De rijstmeelkever (Tribolium confusum Duv.) is moeilijk te onderscheiden van de kastanjebruine rijstmeelkever (Tribolium castaneum Hrbst.) en de lysolkever (Tribolium destructor Uytt.). Zij treden alle drie op als secundaire beschadigers van voorraden. Dat houdt in dat de eieren worden afgezet op producten die, of al door andere insecten zijn aangetast, of op kunstmatige wijze zijn gebroken.
De rijstmeelkever komt op velerlei producten voor en wordt als een belangrijk voorraadinsect beschouwd. Hij wordt in producten met een lage voedingswaarde aangetroffen. De kever kan zich zelfs bij de zeer lage RV van 10% nog ontwikkelen, hoewel hogere waarden de voorkeur hebben. Als de temperatuur hoger is dan 15°C worden gemiddeld in acht maanden tijd enige honderden eitjes gelegd. Deze zijn kleverig en worden daardoor met stof en voedseldeeltjes bedekt. De larven vervellen 5-11 keer. De poppen liggen vrij in de voedselbron. De kevers vreten van hetzelfde voedsel als de larven. De mannetjes kunnen 600 dagen oud worden en de vrouwtjes 450 dagen; voor volwassen insecten een hoge leeftijd. Als de temperatuur daalt tot beneden de 15°C worden de kevers in 25 dagen en de larven in 50 dagen gedood.
De kastanjebruine rijstmeelkever komt van oorsprong in de warmere streken van de wereld voor. In onverwarmde ruimten kunnen zij niet overwinteren, wel bijvoorbeeld in graan dat (soms door aantasting van insecten) is gaan broeien. De voorkeur van deze kever gaat uit naar gebroken producten, maar als tarwekorrels een hoog vochtgehalte hebben, worden ook die niet ontzien. Ook oliehoudend zaad wordt als ontwikkelingsbron gebruikt. De ontwikkeling van ei tot kever gaat het snelst - 20 dagen - bij 35°C en een RV van 70% of hoger. Beneden 15°C vindt geen ontwikkeling plaats. De kevers kunnen meerdere jaren blijven leven. De gemiddelde eilegperiode is 5,5 maand. In deze tijd worden 300-400 eieren afgezet.

Meeltorren vormen nauwelijks een gevaar voor voorraden

De meeltor (Tenebrio molitor L.) is een soort, die als voorraadaantaster in woningen geen rol van betekenis speelt. De grote geelachtige larven (meelwormen), die ook als vis- en vogelvoer worden gekweekt, worden vaak door vogels mee naar hun nest onder de pannen genomen. Als zij niet door de jonge vogels worden genuttigd, kunnen zij soms woningen binnendringen. In Nederland vormen zij voor voorraden echter nauwelijks gevaar. De ontwikkelingsduur kan variëren van 145-690 dagen. Soms worden door een wijfje wel 40 eieren per dag afgezet. De larven kunnen lange tijd zonder voedsel en maken 9-20 vervellingen door tot ze circa 28 mm lang zijn. Hiermee is zij de grootste keverlarve onder de voorraadinsecten.

Stambonekevers zorgen voor gaatjes in bonen

De stambonekever (Acanthoscelides obtectus Say) is oorspronkelijk uit Zuid-Amerika afkomstig, maar weet zich ook in ons klimaat goed te handhaven. In warmere streken wordt ook de peul op het veld aangetast, in koelere omstandigheden alleen gedroogde bruine, witte en kievitsbonen die in opslag worden gehouden. Een optimale ontwikkeling doet zich voor bij 30°C en 70% RV. De tijd die de larve in de boon doorbrengt is dan ongeveer 22 dagen. De verpopping vindt plaats dicht onder de schil van de boon. De plek waar de pop zit is herkenbaar aan het "grijze venstertje". De kever hoeft na het uit de pop kruipen alleen nog maar het flinterdunne venstertje door te knagen om "buiten" te zijn. Als de kever de boon heeft verlaten, is er dus een gaatje in de boon ontstaan. Door het aantal gaatjes te tellen zou men kunnen vaststellen hoe erg de aantasting door de kevers is. Zo kwam ik eens in een partij van 850 bruine bonen circa 10.280 gaatjes tegen. Dat aantal varieerde per boon van 223. Uit een partij van 39 kg bonen kwamen in 14 maanden tijd ongeveer 250.000 kevers tot ontwikkeling. Aangezien de kever goed kan vliegen is aantasting van nog niet besmette partijen bonen heel goed mogelijk. Doordat snel na verpopping weer tot het afzetten van eieren wordt overgegaan zijn meerdere generaties per jaar mogelijk. De totale ontwikkelingsduur is 21-80 dagen.

Getande graankevers en notenkevers

De laatste keversoorten die ik wil noemen zijn de getande graankever (Oryzaephilus surinamensis L.) en de notenkever (Oryzaephilus mercator Fauv.). De getande graankever is in staat om in onverwarmde gebouwen te overwinteren. De soort wordt op velerlei producten van plantaardige oorsprong aangetroffen. Daaronder valt ook gedroogd fruit, zoals vijgen en walnoten. Vaak wordt hij op zetmeelhoudende producten gevonden. De ontwikkeling vindt plaats tussen 20°C en 37°C. De optimale temperatuur ligt tussen de 30°C en 35°C; de ideale RV ligt tussen 70 en 90%. De ontwikkeling van ei tot kever duurt dan slechts 20-30 dagen. Het afgeplatte lichaam van de kever stelt hem in staat in zeer nauwe spleten te kruipen in de buurt van de voedselbron. Daarin zetten de wijfjes hun 45-285 eieren af. De getande graankever is ook een secundaire aantaster en komt uitsluitend in gebroken of vermalen producten voor. Als in de winter RV en temperatuur laag zijn, dan staat de ontwikkeling stil, maar kunnen de kever en zijn larve wel blijven leven. De leefwijze en ontwikkeling van de notenkever zijn vrijwel identiek aan die van de getande graankever. Deze soort kan echter vliegen. Beide soorten dringen ook gemakkelijk in verpakte levensmiddelen door.

Wat moet u doen als u kevers of andere insecten in uw voorraad aantreft?

Sterk aangetaste voorraden moeten worden verwijderd. De licht aangetaste en nog bruikbare doosjes en zakjes kunnen gedurende enige tijd worden ingevroren. Enkele dagen bij -20°C is voldoende om alle stadia van mijten en insecten te doden. Verhitting bij 60°C-80°C gedurende enkele uren is ook afdoende, hoewel niet alle produkten dat kunnen hebben. Na verwijdering van de aangetaste artikelen, de bron van alle ellende, staat een grote en vooral grondige schoonmaak voor de deur. Alle naden en kieren waar larven of volwassen dieren zich kunnen verstoppen moeten worden schoongemaakt. Als dat allemaal is gebeurd, luidt het advies als volgt. Zorg voor een kleine voorraad in huis. Bewaar levensmiddelen in goed gesloten potten en bussen en bevorder een kortdurende, droge en koele opslag. Verwijder afval regelmatig uit de keuken en doe iedere keer een schone zak in de afvalbak. Als men zich aan deze regels houdt, kan het gebruik van bestrijdingsmiddelen volledig achterwege blijven. En om misverstanden te voorkomen; het uitsluitend gebruiken van bestrijdingsmiddelen zonder het treffen van de goede weringsmaatregelen levert nooit resultaat op. Om de juiste maatregelen aan de melder te kunnen adviseren, is altijd een goede determinatie (het op naam brengen van de soort) gewenst. Stuur daarom ca. 4 a 6 onbeschadigde exemplaren in een klein stevig doosje van plastic o.i.d. goed verpakt naar onze afdeling in Wageningen (tegenwoordig KAD) en wij laten u weten met welke soort u te maken heeft, met bijvoeging van de betreffende voorlichtingsbrief of -brochure.

A.D. Bode

Gebruikte literatuur

Busvine, J.R. - Insects and Hygiëne 1980, Chapman and Hall, London, U.K.
Mallis, A. - Handbook of Pest Control 1982, Franzak and Foster Company, Cle-veland, Ohio, U.S.A
Insect Travellers I - Coleoptera, Audrey D. Aitken, H.M.S.O., Ministry of Agriculture, Fisheries and Food.
Stichting Vakopleiding Ongediertebestrijding - Syllabus A, hoofdstuk 6.5. (losbladig, 2e druk 1982, bijgewerkt tot en met 1986). S.V.O., Wageningen.
Stichting Vakopleiding Ongediertebestrijding - Handboek (losbladig, uitgegeven 1982). S.V.O., Wageningen.
Rat en Muis, 34 (3/4) 1986, pag 72-79

Meer informatie over (de bestrijding van) kevers en kevertjes

Meer over de professionele ongediertebestrijder


© 2015 Kijk Op Ongedierte