Nu hulp nodig?

Bel 085 029 85 09

(lokaal tarief, 24/7)

Gebruik het formulier

(geheel vrijblijvend!)

Alles wat u moet weten over mieren in en bij huis

Dat niet iedereen de aanwezigheid van mieren op prijs stelt, blijkt wel uit de vele meldingen die 's zomers bij gemeenten en ongediertebestrijdingsbedrijven binnenkomen. De aard van die meldingen wisselt sterk. Sommigen vinden de opgeworpen hoopjes zand tussen de tegels slordig staan, anderen trekken pas aan de bel als de mieren bij honderden over het aanrecht lopen. In het eerste geval kan een uitleg over het nut van mieren voldoende zijn om er niets aan te doen, in het tweede voorbeeld zullen maatregelen wel gewenst zijn. Welke maatregelen hangt af van de soort mier en haar leefwijze.

Mocht u vragen hebben, stel deze dan via dit formulier. Wij zullen u zo spoedig antwoorden.

Wilt u in contact komen met een professionele ongediertebestrijder bij u in de buurt? Dat kan via Kijk op Ongedierte. Bel tegen lokaal tarief met 085 029 85 09. Een deskundige lokale ongediertebestrijder staat u direct te woord om uw vragen te beantwoorden. Ook 's avonds of in het weekend!

We zien in en om huis vooral vier soorten mieren

In ons land komt een groot aantal inheemse mierensoorten voor. Vele daarvan zullen slechts een enkele keer woningen binnendringen. Zij blijven hier onbesproken. Er zijn echter vier soorten die we regelmatig zien. Deze behoren alle tot het geslacht Lasius, de tuinmieren. Het zijn de zwartbruine wegmier (Lasius niger Linnaeus), de glanzende houtmier (Lasius fuliginosus Latreille), de grote gele weidemier (Lasius umbratus Nylander) en de bruine mier (Lasius brunneus Latreille).

Soort Kleur Uiterlijk    
    werkster niet gevleugeld mannetje gevleugeld koningin in paartijd gevleugeld
zwartbruine wegmier zwartbruin tot zwart zwartbruin tot zwart
3-4 mm
werkster zwartbruine wegmieren Foto James K. Lindsey Bron http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Lasius.niger4.-.lindsey.jpg
donkerbruin tot zwartbruin
3,5-4,2 mm
glasheldere vleugels

donkerbruin 7-9 mm
zwartbruine wegmier koningin Foto Jens Buurgaard Nielsen Bron http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Lasius_Niger_winged_queen.jpg
 

glanzende houtmier zwart tot glanzend zwart zwart 3,5-5 mm
Glanzende houtmier Foto AfroBrazilian Bron http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Lasius_fuliginosus_01.JPG
 
glanzend zwart
4,5-5 mm
vleugels bruin berookt
Glanzende houtmier vleugel Foto April Nobile Bron http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Lasius_fuliginosus_casent0172765_profile_2.jpg
zwart 5-6 mm
grote gele weidemier geel geel 3,5-4,9 mm
grote gele weidemieren Foto Mick E. Talbot Bron http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Lasius_umbratus.jpg
bruin tot donkerbruin
3,5-4,8 mm
vleugels aan de basis bruin berookt
roodbruin 6-7 mm
bruine mier bruin geelbruin tot roodbruin
kop en achterlijf donkerder 2,5-4 mm
bruine mier Foto April Nobile Bron http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Lasius_brunneus_casent0172717_profile_1.jpg?uselang=nl
zwartbruin
berookte vleugels
4-5 mm
licht tot donker zwartbruin 6,7-8,2 mm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

Over het uiterlijk van mieren

Het lichaam van insecten, dus ook van (tuin)mieren, bestaat uit drie delen: kop, borststuk en achterlijf. Aan de kop vinden we twee geknikte sprieten, aan het borststuk drie paar poten. Borststuk en achterlijf zijn verbonden door achterlijfssteel. Dat is een min of meer platte schub. Bij andere (bijvoorbeeld subtropische) soorten kan die uit twee bolvormige knopen bestaan. De mannetjes zijn altijd gevleugeld en komen alleen in de paartijd in een mierenkolonie voor. De jonge koninginnen hebben ook vleugels, maar zij raken die na de paring kwijt. De werksters zijn altijd ongevleugeld.

De mieren waar wij meestal hinder van ondervinden, zijn werksters

De werksters zijn onvruchtbare vrouwelijke exemplaren. Zij zorgen voor de uitbouw van het nest, de voedselvoorziening en de verzorging van het broed; de eieren, larven en poppen. De ontwikkeling van ei, via larve en pop naar volwassen insect (imago) noemt men volledige gedaanteverwisseling. De werksters die pas uit de poppen kruipen zijn actief in het nest bezig en nemen voedsel over van de werksters die daarmee thuiskomen. Deze vinden dat door steeds te zoeken.

Mieren volgen een reukspoor naar voedsel

Als een werkster een voedselbron ontdekt, neemt zij daarvan iets mee en gaat zo rechtstreeks mogelijk terug naar het nest. Op die terugweg zet zij een reukspoor uit. Komt zij mede-werksters tegen, dan "vertelt" zij met de sprieten dat ze iets lekkers gevonden heeft. Andere werksters volgen het reukspoor en vinden de voedselbron. Op deze wijze ontstaat de zogenaamde "mierenstraat".

Reukspoor wijst ook de weg naar het mierennest

Deze mierenstraat is voor de bestrijder belangrijk bij het vinden van het nest. In de regel zal het zo zijn dat hoe meer mieren men op zo'n reukspoor tegenkomt, hoe dichter men bij het nest is. En let maar eens op, alle mieren die elkaar tegenkomen hebben even contact met de sprieten. En wilt u nagaan of het reukspoor echt bestaat, verbreek het looppad dan door er met een vinger over te wrijven. De mieren twijfelen bij het andere geurtje om verder te gaan, maar blijken in staat hun straat weer snel te herstellen.

Vliegende mieren zijn het begin van een mierennest

Zoals al eerder gezegd, de mannetjes en de jonge vruchtbare wijfjes hebben vleugels. Zij hebben die nodig omdat de paring van tuinmieren in de lucht plaatsvindt. Alle paarlustige exemplaren van één soort zullen in een wijde omgeving tegelijkertijd het luchtruim kiezen om elkaar op te zoeken. Het tijdstip waarop zij dat doen is afhankelijk van de weersomstandigheden. Een hoge temperatuur en luchtvochtigheid dragen bij tot een geslaagde bruidsvlucht. Na de paring gaan de mannetjes dood. Zij hebben hun taak volbracht. De bevruchte wijfjes, koninginnen, werpen hun vleugels af en zoeken een geschikte nestplaats op. Bij sommige soorten begint de koningin geheel alleen met de bouw van een nieuw nest. Ook komt het voor dat ze in het nest van een soortgenoot trekt en daar aan het "maatschappelijke leven" deel gaat nemen. Van sommige soorten dringt de koningin een bestaand nest van een andere soort binnen, doodt de stammoeder en neemt haar taak over. Die bestaat uitsluitend uit het leggen van eieren. Als een koningin sterft (soms pas na15 à 20 jaar) en er niet voor vervanging is gezorgd, sterft het nest uit. De werksters van de "andere" soort voeden de nieuwe koningin en zorgen voor haar broed. Tijdelijk zal dan een gemengde populatie aanwezig zijn. De werksters van de eerste stammoeder zullen geleidelijk aan sterven -de leeftijd van een werkster bedraagt 2 à 3 jaar- en op den duur ontstaat een zuivere kolonie van de nieuwe soort. Dit verschijnsel komt ook voor bij onze tuinmieren. Een koningin van de grote gele weidemier dringt namelijk een nest van de zwartbruine wegmier binnen om zo haar "huiselijke" start te maken. De glanzende huismier op haar beurt doet dat bij de grote gele weidemier.

Mieren zijn gek op suikerhoudende producten maar ook op zoute haring en leverpastei

Buitenshuis vinden zij dat onder meer door in bomen en struiken op zoek te gaan naar bladluizen. Deze verteren plantensappen. Het uitscheidingsproduct van die bladluizen wordt honingdauw genoemd. Dat vinden tuinmieren zo aantrekkelijk dat ze de bladluizen "melken". Op die manier hebben ze een permanente voedselbron ter beschikking. Dat ze in woningen ook in staat zijn zoete producten te vinden, blijkt wel uit de vele verhalen over mieren op de siroopfles, de jam- en suikerpot en in nog niet gewassen vaatwerk. Veelvuldig worden mieren aangetroffen in vaatwasmachines die niet dagelijks in gebruik zijn. Dat mieren niet uitsluitend zoetigheid nuttigen werd duidelijk in een horecabedrijf, waar bruine mieren vooral afkwamen op zoute haring en leverpastei. Ook worden door mieren kleine insecten, hun larven en poppen als prooi meegenomen. Zij zijn eveneens "lijkenvreters" en bewijzen hun nut als opruimers in de natuur.

Mieren onder tegels of in vochtig hout

De zwartbruine wegmier vindt haar plekje op plaatsen waar stenen of tegels direct op het zand liggen. Steen houdt de zonnewarmte lang vast. Bovendien blijft het zand onder de tegels droog. Dat zal een reden zijn voor deze mieren om zo'n beschermde plek op te zoeken. De andere drie genoemde soorten nestelen bij voorkeur in hout. Meestal zal dat hout zijn dat eens door vocht is aangetast en in zekere mate al door schimmels is verteerd (verrottingsproces). Te denken valt hierbij aan boomstronken, biels in de tuin of hout in gebouwen dat door grondwater, regendoorslag, lekkage of slechte ventilatie nat is geworden.

Hoe weert u mieren in huis?

Het weringsaspect kunnen we op twee manieren toepassen. Het eerste houdt verband met de aanwezigheid van geschikt voedsel. Om te voorkomen dat mieren in grote aantallen onze keuken bevolken, moet de voorraad levensmiddelen in goed gesloten potten en bussen bewaard worden. Het vaatwerk moet dagelijks worden verwerkt en afvalemmers moeten zo goed mogelijk gesloten zijn. Als de bewoner deze maatregelen treft, is de kans kleiner dat één mier een geschikte voedselbron vindt en binnen de kortste keren met de nodige hulptroepen terugkeert.

Voorkomen dat mieren nestgelegenheid hebben in en bij huis

Het tweede weringsaspect betreft het ontnemen van nestelgelegenheid. In de praktijk zal het niet mogelijk zijn zwartbruine wegmieren onder de tegels vandaan te houden. Als het echter om de houtbewoners gaat, staan ons wel mogelijkheden ter beschikking om aan wering te doen. Boomstronken of biels in de tuin kunnen worden verwijderd als deze, dicht bij de woning gelegen, onderdak bieden aan mieren. Door vocht aangetast hout onder de vloer dient te worden verwijderd en vervangen door nieuw, zo nodig verduurzaamd hout. Bij deze werkzaamheden moet ook worden vastgesteld welke de oorzaken voor de aanwezigheid van vocht zijn, zodat ook die kunnen worden weggenomen. De kans op het opnieuw vochtig worden van het hout onder de vloer is dan gering en herbezetting door mieren wordt minder waarschijnlijk.

Bestrijden van mieren in huis?

Veel mensen hebben de neiging de bestrijding op die plaatsen uit te voeren waar de meeste hinder door tuinmieren wordt ondervonden. En dat is vaak binnen. Het gebruik van spuitmiddelen en stuifpoeders in gebouwen moet echter ten zeerste worden ontraden omdat daarmee wordt bevorderd dat mieren de behandelde looppaden gaan mijden en op andere plaatsen in het pand weer opduiken. Dat is wat je noemt het verleggen van de problemen. Probeer door de mierenstraten te volgen te achterhalen waar het nest ongeveer zit. Dan zal het mogelijk blijken gericht maatregelen te treffen. Hardnekkige klachten over mieren binnen gebouwen verdienen extra aandacht. Laat bij winterse klachten altijd de soort op naam brengen. In onze woningen kunnen namelijk ook (sub)tropische soorten voorkomen, waarvan de bestrijding op geheel andere wijze dan zoals hierboven omschreven wordt uitgevoerd.

Bron: Rat en muis 34(2)1986

Meer wetenswaardigheden over mieren en mieren bestrijding

Meer over de professionele ongediertebestrijder


© 2015 Kijk Op Ongedierte