Nu hulp nodig?

Bel 085 029 85 09

(lokaal tarief, 24/7)

Gebruik het formulier

(geheel vrijblijvend!)

Bestrijding van Lasius alienus, een tuinmierensoort

De hinder die door de mierensoort Lasius alienus (mergelmieren of zandmieren) in Leiden sinds 1985 in enkele straten in een woonwijk wordt ondervonden, was aanleiding tot een nader onderzoek. Zowel in de zomer als in de winter waren de mieren in grote aantallen aanwezig in bad- en slaapkamers, huiskamers en keukens. In alle ruimten van het huis kwamen de bewoners mieren tegen. Opvallend was dat de mieren ook veel op zolderverdiepingen werden gevonden. Bestrijdingen van allerlei aard door bewoners uitgevoerd, hadden in al die jaren geen resultaat geleverd. De situatie was door de jaren heen alleen maar verergerd. Er bestaat bij deskundigen nog enige twijfel of de aangetroffen soort daadwerkelijk Lasius alienus is. Deze soort is namelijk zeer moeilijk te onderscheiden van de mierensoort Lasius neglectus. De door de Plantenziektenkundige Dienst verrichtte determinaties komen tot nu toe alle uit op de soort Lasius alienus.

Lasius alienus is nauw verwant aan de zwartbruine wegmieren

Mieren van het geslacht Lasius zijn veel voorkomende plaagdieren in de noordelijke staten van Amerika. De soort Lasius alienus Förster is daar ook wel gedetermineerd als Lasius niger americanus Emery. Hiermee wordt al duidelijk dat de soort nauw verwant is aan onze tuinmierensoort Lasius niger L., de zwartbruine wegmier en een daarmee vergelijkbare leefwijze heeft. Zij komt in de Verenigde Staten wijd verbreid voor en is daar een gewone soort in bosrijke streken. In ons land komt de soort voor op zandgronden, maar is waarschijnlijk niet zo verspreid als de zwartbruine wegmier. Over een reeks van jaren ontving onze Afdeling meldingen uit Wassenaar (lx), Katwijk (lx) en Leiden (in 1985 voor de eerste maal). Dit veronderstelt voor deze soort een binding met de kuststreek.

Hoe zien deze mieren eruit?

Lasius alienus is een lichtbruine mier, vaak iets kleiner dan de zwartbruine wegmier. De kaken, voelsprieten en poten van de koninginnen zijn min of meer roodachtig. De werksters zijn 2,5 - 3,5 mm lang, de mannetjes 3,3 - 3,5 mm en de koninginnen 6 - 9 mm. Koninginnen en mannetjes zijn, zoals bij alle Lasius-soorten het geval is, gevleugeld.

Waar leven deze mieren van?

Uit de literatuur blijkt dat in Amerika de werksters de eieren van de maïswortelluis verzamelen en deze gedurende de winter in de nesten bewaren. In Engeland eten ze van planten zoals varenblad, dwergheesters, heide en bladluizen op de takken van de dwergheesters. In het voorjaar plaatst de mier deze bladluizen op verschillende soorten planten waarop zij zich kunnen ontwikkelen. Het is onze Afdeling niet bekend of bepaalde bladluissoorten in ons land op dezelfde wijze worden behandeld. In het object in Leiden is een druk bezoek van deze mieren aan bladluizen in berkenbomen vastgesteld. Als ze de kans hebben Lasius alienus om te leven bij 20° - 23°C. Lasius alienus komt ook woningen binnen op zoek naar zoetigheid. Zij melkt bladluizen op sierplanten. In het (vroege) voorjaar benutten de mieren de, vermoedelijk rijk aan koolhydraten zijnde, sappen die door de bast in de oksels van jong uitlopende takken van bomen worden vrij gegeven. In enkele woningen in de wijk is door bewoners vastgesteld dat de mieren ook op vlees of vleeswaren afkwamen.

Mierennesten

Lasius alienus maakt geen duidelijke afgebakende nesten; zij maken een netwerk van galerijen die onderling verbonden zijn. Grote aantallen aardhopen van de nesten in het gazon vormen een normaal beeld in gebieden waar de soort voorkomt. Deze aardhopen worden, evenals dat bij een aantal andere inheemse mierensoorten zoals de gele weidemier (Lasius flavus F.), het geval is, gevormd in vegetaties die door beperkt maaionderhoud of een geringe begrazingsdruk in weilanden te hoog worden. Door verhoging van de nesten wordt er door de mieren voor gezorgd dat de temperatuur in het nest voldoende hoog blijft om de ontwikkeling van ei tot volwassen dier zo optimaal mogelijk te laten verlopen. Ze hebben een nomadische leefwijze en verplaatsen hun broedverzorgingsplaatsen her en der afhankelijk van het weer en het seizoen. Aardhopen zal men dan ook niet in kort gemaaide gazons of op de kale grond aantreffen. Dit was in het object in Leiden ook niet het geval. Mierennesten werden in de gazons niet aangetroffen. Nesten worden gewoonlijk buiten gevonden, maar in de buurt van woningen ook tussen de stenen van voet- en wandelpaden (trottoirs en tuinpaden). Voorts worden nesten gevonden onder stenen, lavablokken en zwerfkeien die als tuindecoratie dienen. Als uitgedroogde grond scheuren gaat vertonen, worden onder de bovenste aardlaag nesten zichtbaar. Ook nestelt deze mierensoort in kieren van muren, zoals in het Leidse object door een bewoner werd vastgesteld. Bij het afbreken van een schuurtje met spouw trof hij vele kleine nesten aan in de voegen van de muren in de spouw. Deze leefwijze kan de hinder in de wintermaanden in de woningen verklaren. Een kolonie kan uit meerdere nesten bestaan. In het Leidse object werden veel nesten gevonden tussen de kieren van de tegels dicht tegen de woningen aan. Hieruit kan mogelijk ook het 'bij vlagen' optreden van mieren in de woningen worden verklaard. De nesten zal men in het algemeen op zonnige plaatsen aantreffen. De bruidsvlucht vindt gewoonlijk plaats in juli, augustus en september, in slechte jaren soms in oktober. Het eistadium duurt 22-28 dagen en het larvestadium 16-23 dagen. In de zomer is de volledige ontwikkelingsduur van ei tot volwassen mier circa 4 maanden.
De mierensoort Lasius alienus verdrijft actief andere mierensoorten uit zijn leefgebied. Dat verklaart mogelijk waarom in het vastgestelde verspreidingsgebied van deze soort geen nesten van de zwartbruine wegmier werden aangetroffen. Aan de rand van het vastgestelde verspreidingsgebied was dat wel het geval.

Het nut van mieren

In tuinen, parken en bossen zijn mieren nuttig door het verdelgen van allerlei schadelijke insecten. Het opruimen van mierennesten op dergelijke plaatsen met behulp van insecticiden brengt over het algemeen veel schade met zich mee. Niet alleen de mieren worden dan gedood, ook vele andere insecten, zoogdieren en vogels kunnen worden vergiftigd. De natuurlijke levensgemeenschap dreigt daardoor onnodig te worden verstoord. Het bestrijden van mieren dient alleen plaats te vinden wanneer deze insecten in gebouwen overlast veroorzaken. Enkele rondlopende mieren doen geen kwaad en veroorzaken geen schade. Wanneer zij echter in grote aantallen voorkomen, dan kan een bestrijding uit hygiënisch oogpunt nodig zijn.

Bestrijding van mieren als ze in grote aantallen voorkomen

De bestrijding van tuinmieren kan op verschillende manieren worden uitgevoerd, al naar gelang de omstandigheden. Men kan daarbij gebruik maken van insecticiden. Wat de hierna vermelde actieve stoffen betreft, is niet naar volledigheid gestreefd. Slechts enkele middelen die geschikt zijn voor het gestelde doel worden genoemd. Om deze mierensoort afdoende te bestrijden kan het nodig zijn de grond tot een diepte van 20 cm om te werken. Dit wordt in de grote graanvelden in de Verenigde Staten zo nodig gedaan. Het behandelen van een compleet gazon is in sommige gevallen noodzakelijk. Als de mieren zich in de woning hebben gevestigd, kan behandeling daar ook nodig zijn. Aantrekkelijk lokaas voor deze mierensoort bestaat uit een combinatie van vet en zoetigheid. In ons land bestaat er nog weinig ervaring met de bestrijding van de soort Lasius alienus. Van slechts een enkel object is deze mierensoort als plaagdier in gebouwen bekend. Vooralsnog wordt dezelfde wijze van bestrijding geadviseerd als bij de zwartbruine wegmier. Bij het aantreffen van tuinmieren in gebouwen dient men allereerst na te gaan, waar zich de nesten van deze mieren bevinden. Meestal zijn de nesten buiten gesitueerd en kan bij hinder door tuinmieren binnen gebouwen worden volstaan met bestrijding buitenshuis. Indien zich ook in de wintermaanden november t/m januari klachten binnenshuis voordoen, mag worden aangenomen dat de nesten zich dicht tegen de gevel, in de spouwmuur of onder een werkvloer in de kruipruimte bevinden. Er wordt met nadruk op gewezen, dat de hierna genoemde insecticiden giftig zijn, ook voor mensen en huisdieren. De aanwijzingen op het etiket van het te gebruiken middel moet daarom bij toepassing nauwkeurig worden opgevolgd.

Bestrijding buitenshuis

Voordat tot bestrijding kon worden overgegaan werd eerst een inventarisatie van de verspreiding uitgevoerd. Toen bekend was in hoeverre verspreiding van de nesten had plaats gevonden, werd besloten in een aaneengesloten deel van het verspreidingsgebied tot uitvoering van bestrijding over te gaan. De oppervlakte waarbinnen deze bestrijding plaats zou vinden bedroeg ca. 12000 m2. Met name in en bij objecten waar de ondervonden overlast van hardnekkige aard is, is het zinvol deze werkwijze te volgen. Wanneer men de mierenstraten volgend, op zoek gaat naar de nesten van de tuinmierensoort Lasius alienus zal men ontdekken dat deze veelal buiten onder tegels, langs de gevel e.d. worden aangetroffen. Indien bestrijding gewenst is, zal men allereerst deze nesten moeten behandelen. Men dient dan de nestingangen buiten te behandelen met een insecticide.

  • Aanvankelijk werd foxim aangebracht met een lagedrukspuit. Later werd gebruik gemaakt van de zogenaamde "gietmethode". Daarbij werd een poedervormig middel op basis van foxim, volgens voorschrift met water te zijn verdund, in de nestingangen verspoten.
  • In de tuinen werden de nesten onder stenen bestreden met een poedervormig middel op basis van foxim. De kans dat kinderen, huisdieren of vogels met het bestrijdingsmiddel in aanraking komen werd verkleind door de benodigde hoeveelheid poeder per nest met een harkje in de bovenste laag van de aarde te verwerken. Hiermee werd ook onnodige verstuiving van het middel voorkomen.

Als deze methode in de zomermaanden tweemaal wordt toegepast, zal blijken dat de hinder die in woningen wordt ondervonden, sterk is verminderd. Mochten de klachten binnenshuis blijven bestaan, dan is toepassing van lokazen in de vorm van lokaasdoosjes wellicht mogelijk. ... is hier nog niet afgedaan. Het gebruik van andere insecticiden zoals spuitmiddelen en het gebruik van spuitbussen dient dan achterwege te blijven. Hiermee wordt onnodige verstoring van de mierenstraten voorkomen. Het is een bekend gegeven, dat mieren bespoten oppervlakken mijden.

De giftigheid van foxim

De giftigheid van een bestrijdingsmiddel wordt aangegeven middels een getal dat de dodelijke dosis aangeeft. Dit LD-50 getal wordt volgens standaardmethoden vastgesteld. Hierdoor is vergelijking van middelen met betrekking tot de giftigheid mogelijk. Het LD-50 getal geeft het aantal milligrammen van een actieve stof per kilogram lichaamsgewicht aan, dat benodigd is om 50% van de voor dat onderdeel gebruikte proefdieren, in het algemeen ratten, te doden. Omdat de giftigheid van een middel niet voor alle diersoorten gelijk is, kan een LD-50 getal ook voor andere diersoorten apart worden vastgesteld. Hoe lager het getal is, met andere woorden hoe minder milligrammen per kilogram lichaamsgewicht nodig zijn om 50% van de proefdieren te doden, hoe giftiger het middel is. Voor de werkzame stof foxim is de LD-50 voor ratten bij opname door de mond (oraal) bepaald op 1976-2170 mg. Bij opname door de huid (dermaal) is vastgesteld dat de LD-50 voor ratten 1000 mg is. Deze hoge getallen geven aan dat de werkzame stof foxim weinig giftig is voor zoogdieren en derhalve veilig kan worden toegepast. Dat geldt zeker als we in aanmerking nemen dat het in de handel gebrachte poeder slechts 1% werkzame stof aanwezig bevat. Op een verpakking van 150 g is dat derhalve 15 mg. De overige 98,5% in het middel bestaat uit draagstof. Voor het gebruik als spuitmiddel dat 50 g poeder te worden gemengd met 10 I water. Dat is nog eens een verdunningsfactor van 20. Hiermee worden de risico's voor de gezondheid nog eens aanzienlijk verkleind.

Het vervolg van de mierenbestrijding in Leiden

Na de eerste behandeling, die begin mei 1995 alleen buiten de gebouwen werd uitgevoerd, constateerden de meeste bewoners een daling in de activiteit van de mieren. Na een maand was er sprake van weer een toename van het aantal actieve mieren. Op enkele plaatsen werden concentraties van nesten aangetroffen. Soms kon worden vastgesteld dat 'nieuwe nesten' op andere plaatsen zaten dan vóór de bestrijding. Dit kan wellicht worden verklaard door het feit dat met insecticiden behandelde plaatsen door mieren worden gemeden of door hun nomadische leefwijze. Het toenemend aantal mieren gaf aan dat de eerste behandeling onvoldoende resultaat had. Dit was misschien gelegen in het feit dat het bestrijdingsmiddel, zij het onder zeer lage druk, met behulp van een lagedrukspuit was verwerkt. Besloten werd om vervolgbehandelingen met behulp van de gietermethode uit te voeren. De tweede bestrijdingsactie, die alleen op plaatsen werd uitgevoerd waar nieuwe mierennesten werden gevonden, heeft een goed resultaat opgeleverd. Door de bewoners werden daarna binnen noch buiten veel mieren gezien. In het voorjaar van 1996 werd het resultaat van de bestrijdingsacties in 1995 gecontroleerd. In de tussenliggende winter hadden de bewoners nauwelijks nog hinder door mieren ondervonden. Dit betekende een belangrijke verbetering ten opzichte van voorgaande jaren. In beperkte mate werden buiten weer mierennesten opgemerkt. Met de geschiedenis van dit object in het achterhoofd reden genoeg om tot herhaling van de bestrijding over te gaan. Dit gebeurde heel gericht op die plaatsen, waar nesten aanwezig waren.

Mierenbestrijding geslaagd

Het eindresultaat van al deze bestrijdingen is goed. Het is gebleken, dat door het toepassen van bestrijdingsmiddelen uitsluitend buiten de gebouwen, de problemen in de woningen werden opgelost. Hiermee is nogmaals vastgesteld dat, als het al nodig is om mieren te bestrijden (denk nog even aan hun nuttige functies) dit (zo dicht mogelijk) bij de nesten moet gebeuren. Deze kunnen soms gelegen zijn op plaatsen die ver verwijderd zijn van de plekken waar de hinder wordt ondervonden. De bewoners van de betrokken vier straten hebben hun waardering voor de inzet van de gemeentelijke ongediertebestrijdingsdienst uitgesproken. Zij hopen geen beroep meer op hen te hoeven doen. Toch moeten we ervan uitgaan dat niet alle nesten van Lasius alienus Förster, zullen zijn bereikt. Oplettendheid blijft geboden.

A.D. Bode
Dierplagen en Milieu, 44 (4) 1996 pag 135-141

Literatuur

  • M.V. Brian - Ants, William Collins Sons & Co. Ltd. London. 1977
  • Wetenschappelijke indelingen K.N.N.V. nr. 073 - "De dierenfauna van de Benelux", J.K.A. van Boven m.m.v. A.A. Mabelis, 1980
  • Arnold Mallis - Handbook of Pest Control, Franzak & Foster Company, Cleveland, Ohio, 1982

 

Meer wetenswaardigheden over mieren en mieren bestrijding

Meer over de professionele ongediertebestrijder


© 2015 Kijk Op Ongedierte